Bezitsgeschiedenis Duitse Huis van Utrecht

Het onderzoek richt zich op de vorming en het beheer van het bezit van het Duitse Huis te Utrecht met haar onderhorige vestigingen in de middeleeuwen alsook op de veranderingen die daarin zijn opgetreden tot ca. 1600.

Het Duitse Huis, sinds 1346 gevestigd binnen de wallen, aan de Springweg in Utrecht

Het Duitse Huis, sinds 1346 gevestigd binnen de wallen, aan de Springweg in Utrecht

In 1231 schonken Sweder van Dingede en zijn vrouw Beatrix een huis en hofstede bij de Utrechtse Sint-Geertekerk aan de Duitse Orde. Het convent dat hier kort nadien verrees zou de hoofdvestiging van deze grote geestelijke ridderorde in het bisdom Utrecht worden. Het district (= balije) waarvan dit convent het middelpunt vormde, behoorde met haar vijftien onderhorige vestigingen in de late middeleeuwen tot de middelgrote balijen van Duitse Orde in het Duitse Rijk. De geschiedenis ervan loopt door tot de dag van vandaag, doordat de Utrechtse balije, anders dan andere balijen, de grote breukmomenten heeft weten te doorstaan, te weten de Reformatie op het eind van de zestiende eeuw en de opheffing door Napoleon in 1810. Ze deed dat door de vorm aan te nemen van een protestantse adellijk-charitatieve instelling. Dat betekent dat een groot deel van de vóór 1500 verworven goederen nog steeds eigendom is van de tegenwoordige Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht.


Behoefte aan onderzoek

Omdat voor de Utrechtse balije naar verhouding veel middeleeuwse archiefmateriaal over de vorming en uitbating het bezit bewaard is gebleven, is het mogelijk er een grondige studie aan te wijden. In het recente verleden is daar een aanzet toe gegeven door Menno Koopstra, die met steun van de RDO en de Rijksuniversiteit Groningen een grote hoeveelheid ongepubliceerde gegevens toegankelijk heeft gemaakt. Koopstra’s regesten en datasets zijn goed ontsloten zodat ze makkelijk door toekomstige onderzoekers kunnen worden verwerkt.

Perspectief
Een en ander neemt niet weg dat het nog steeds ontbreekt aan een helder zicht op het ontstaan en de materiële ontwikkeling van zowel het Duitse Huis te Utrecht als de direct daaraan ondergeschikte ordevestigingen. Het belang daarvan is door de recente publicaties van Mol, Meuwissen, De Bruin en Stapel eerder groter dan kleiner geworden. Veel vragen op cultureel en politiek terrein kunnen niet worden beantwoord zonder inzicht in de materiële mogelijkheden van de ordehuizen. Belangrijker is echter de economische ontwikkeling van het Utrechtse huis en de balije als thema op zichzelf. In de wetenschap dat de archivalische overlevering juist voor Utrecht gunstig is, dringen internationale onderzoekers op het gebied van ridderorde- en kruistochtgeschiedenis al lange tijd aan op bestudering van de Utrechtse casus om de ontwikkeling van andere balijen in perspectief te kunnen plaatsen. Daarnaast is zo’n studie onmisbaar voor verder onderzoek naar de sociaaleconomische ontwikkelingen in de Noordelijke Nederlanden in de late middeleeuwen. Met name voor het Sticht, met de bisschopsstad Utrecht als centrum, alsook voor de gewesten Gelre en Holland bestaat behoefte aan monografieën over religieuze instituties met grootgrondbezit van een grote continuïteit. ‘Last but not least’ telt het belang van de huidige RDO: inzicht in de verwerving en toenmalige uitbating van haar middeleeuwse goederen, kan mede richting geven aan een cultureel verantwoord beheer van haar onroerend goed.

Probleem- en doelstelling

Het onderzoek richt zich op de vorming en het beheer van het bezit van het Duitse Huis te Utrecht met haar onderhorige vestigingen in de middeleeuwen alsook op de veranderingen die daarin zijn opgetreden tot ca. 1600. Deze moeten beschreven, vergeleken en verklaard worden, in relatie tot de sociaalreligieuze functie van het Duitse Huis, zijn balije en zijn Orde, de maatschappelijke achtergrond van haar leden en de bestuurlijke activiteiten van haar oversten. Een eerste verkenning voor de periode 1231-1500, heeft een ontwikkeling zichtbaar gemaakt die behalve door de algemene economische en religieuze conjunctuur sterk beïnvloed lijkt te zijn geweest door de ambities en kwaliteiten van de afzonderlijke oversten: de commandeurs en landcommandeurs. Een van de vragen is daarom hoe sterk deze persoonlijke factor is geweest. Het doel van het onderzoek is tweeledig: inzicht verschaffen in de wisselwerking tussen economische structuur en religieuze conjunctuur in de laatmiddeleeuwse Nederlanden én een bijdrage leveren aan de kennis van de maatschappelijke en politieke betekenis van de geestelijke ridderorden alhier.

Lees de hele projectbeschrijving

Last Modified: 22-05-2014